Beurtveren

De zestiende eeuw was de tijd waarin beurtveren werden ingesteld en trekvaarten werden gegraven. Beurtveren waren schepen die regelmatige diensten onderhielden tussen twee of meer steden. Ook in Oudewater werden in deze tijd beurtveren ingesteld om de touwproductie te vervoeren naar de steden waarmee gehandeld werd. Rond Oudewater was al veel water, maar er werd toch één stukje trekvaart gegraven: de Pijpenvliet. Dit water liep naar de vaart bij de Damweg en zo kon via Polsbroek naar Schoonhoven worden gevaren.

Vanaf Oudewater gingen er veerdiensten naar Amsterdam, Schiedam-Vlaardingen-Maassluis, Rotterdam, Delfshaven-Delft-’s-Gravenhage, Leiden, Gouda, Dordrecht, Woerden, Utrecht – en Schoonhoven.

Trekschuit

Er werd veel gevaren met trekschuiten. Een trekschuit werd over het water voortgetrokken door een paard of een mens. Ook vrouwen en kinderen werden wel in het tuig gespannen om de jaaglijn te trekken. Langs de Hollandse IJssel zijn nog steeds jaagpaden te vinden.

Regelgeving

Er was de nodige regelgeving voor de schippers. Allereerst was er een ‘genera­le ordonnan­tie’ (een algemene verordening), die voor alle schippers gold. Veel regels waren nogal voor de hand liggend, zoals regel nummer 1: ‘In den eersten sullen alle de schippers ende hare knechts den passagiers in alle vriende­lijck ende ge­diensticheijt bejege­nen: Ende dieselve soowel in het uyt, als naer huys rey­sen, met goede plaet­sen accom­moderen, ende ten spoedich­sten soo haere doen­lijck sij, over­voeren.’ De schippers moesten dus vriendelijk zijn voor de passagiers en zo snel mogelijk varen. Andere regels waren erg praktisch gericht, zoals: wat te doen bij ziekte van een schipper. Naast de ‘generale ordonnantie’ waren er ook ordonnanties voor de schippers van de verschillende beurtveren.

Oudewater – Amsterdam

De schuit naar Amsterdam was erg belangrijk, omdat de Amsterdamse Kamer van de Oost-indische Compagnie een belangrijke klant was. Deze schuit vertrok op woensdag en zondag ’s middags als de klok één uur sloeg vanaf het Amsterdamse Veer. Waar nu het perkje is, was toen de aanlegkade. Tot Polanen moest de schuit gejaagd worden omdat de Lange Linschoten te bochtig is. De Noord-Linschoterzandweg fungeerde als jaagpad voor de schuiten naar Amsterdam en naar Woerden. Tegenwoordig staan er wilgen langs het water maar dat was vroeger niet zo. De schuit mocht een half uurtje stoppen bij het blokhuis bij Polanen, nog vóór Woerden. Daar mochten de passagiers dan wat drinken en eten. Vanaf Polanen mocht er ook worden gezeild. De schuit mocht zelfs bij slecht weer niet in Woerden overnachten. De schuit mocht ook nog een keertje stoppen bij Wilnis, maar verder niet, anders duurde de reis veel te lang. Het duurde tenslotte al ruim een dag. In Amsterdam legde de schuit aan bij het Rokin. Behalve dat de schuit schijven garen uit Oudewater naar Amsterdam bracht, bracht zij ook Baltische hennep naar Oudewater. Soms moest er zoveel vervoerd worden, dat de schuit extra moest varen. In principe waren er altijd twee schepen nodig voor een beurtveer.

Postbode

De marktschippers fungeerden ook als postboden: zij waren verantwoordelijk voor de bezorging van pakjes en brieven die aan hen werden meegegeven. Zo droeg Gerrit Breda in de achttiende eeuw zorg voor de correspondentie tussen het stadsbestuur en baljuw Gaspar Rudolph van Kinschot, die in Delft woonde. Ook de briefwisseling tussen de stadsarchitect Johannes de Jong en Van Kinschot ging via Gerrit Breda. Gijsbert van der Lee, schipper op Amsterdam, bracht in 1777 nieuwe ijzeren leuningen voor de Varkensbrug mee.

Het veer naar Amsterdam werd in de zeventiende eeuw uitgevoerd met een snebbeschuit. Een snebbeschuit – ook wel Rijnschuit genoemd – was een schuit met een hellende, smal toelopende voorsteven. Dit type schepen werd ook in Oudewater gebouwd.

In het waterrijke westen van Nederland was een schip het beste vervoermiddel. Tot in de negentiende eeuw stonden de veerdien­sten vermeld in de almanakken. Toen zorgde de verbetering van het wegennet voor de opkomst van de postkoet­sen. De trein en de auto waren de genadeslag voor de beurtveren.

Tekst : Nettie Stoppelenburg