Scheepswerf bij de Goudse Boom

In 1585 werd IJsselveere bij Oudewater gevoegd. Dit ‘nieuwe’ stukje Oudewater ontwikkelde zich al heel snel tot een industriewijk. Er werd een tweede korenmolen gebouwd, er waren twee brouwerijen, twee smidses, twee grutterijen en een oliemolen. En bij de Goudse Boom, de walbrug over de Hollandse IJssel, was een scheepswerf.

In 1610 werd Cornelis Pieterssen schipmaecker genoemd in het doopboek bij de doop van zijn dochtertje. In 1612 werd hij genoemd door het stadsbestuur omdat er een straat gemaakt moest worden aan de zuidzijde van de Hollandse IJssel van de ‘Isulbrugge’ naar de wal bij de ‘Goudsche brugge’. Cornelis overleed in 1636. Pieter Cornelis Eynthoven nam de scheepswerf over en na hem waren Jan Willemsen Vermij en Dirck Pieters van Wijngaerden hier scheepsbouwers. In 1679 nam Dirck Pieters van Wijngaerden de scheepswerf in Haastrecht over en  kocht Pieter van Steyn de scheepswerf in Oudewater.

Pieter van Steijn was ruim dertig jaar actief als scheepsbouwer. Hij liet een aantal verbeteringen aanbrengen aan de werf, zoals een smeerhelling en een gangpad. De Hollandse IJssel is geen brede rivier: de werf heeft dus een dwarshelling gehad, evenwijdig aan het water. In deze periode worden ook een aantal scheepstypes genoemd die op de scheepswerf werden gebouwd, zoals een ‘seven korff schuytje’, een ‘snebbeschuyt’ en een ‘Gouwenaer’. Toch was het bedrijf bij de verkoop in 1711 maar 250 gulden waard. Willem Pieters van Steijn, die in 1709 met zijn vader als scheepmaker genoemd werd, durfde het kennelijk niet aan om het bedrijf voort te zetten.

De nieuwe eigenaar was Jacob Pieterse Ottoland, scheepsbouwer uit Benschop. Het is niet duidelijk of hij zich in Oudewater heeft gevestigd: al in 1713 verkocht hij het bedrijf aan Matthijs Kelder, die in het poorterboek van Oudewater genoemd als ‘scheepmaker van zijn hantwerck, geboortig en van Benschop’. Ook Matthijs Kelder bouwde onder andere ‘snebbeschuyten’. Een ‘snebbeschuyt’ is een schip met een vooruitspringende voorsteven, een ‘snebbe’ of ‘snavel’.

Kelder overleed in 1737. Zijn zoon en dochter waren nog minderjarig in deze tijd en uiteindelijk zou zijn zoon een stoffenwinkel in de Wijdstraat beginnen. Ook in die tijd was het echt geen regel dat de zoon in het beroep van de vader opvolgde! De nieuwe eigenaar van de scheepswerf was Abraham van Leeuwen. Hij betaalde 1215 gulden en 15 stuivers voor de werf, een recordbedrag. Na hem waren achereenvolgens Hendrik Slingerland en diens zoon Teunis Slingerland eigenaar van de scheepswerf. De werf bleef veel waard: bij de verkoop in 1774 wordt een bedrag van duizend gulden genoemd. Ook de omzetten lijken goed te zijn geweest. Een pannebakkerspraam werd geleverd voor 225 gulden en in 1794 was Pieter Toor, de marktschipper op Dordrecht en Schiedam, aan Teunis Slingerland 1200 gulden schuldig voor reparatie aan zijn schuit.

In 1789 werden langs de West-IJsselkade barakken gebouwd om de ingekwartierde soldaten zelfstandig onder te brengen. Voor de bouw werd een rij huizen gesloopt, maar de scheepswerf bleef bestaan, in ieder geval tot na 1808. De Oudewaterse tekenaar en fotograaf Everhard Rahms tekende rond 1855 de gevelsteen van het pand met de afbeelding van een bijl, zoals dat heel gebruikelijk was voor een scheepswerf. Hij tekende daarbij aan: ‘IJssel naast de barak, vroeger scheepmakerij’. Uit de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels van het kadaster blijkt dat de gebouwen in 1832 eigendom waren van ‘fabrikeur’ Michiel van Vliet. Op foto’s van Rahms is de dwarshelling van de scheepswerf nog te zien, schuin aflopend naar het water. Pas in 1880, toen op dit terrein de olieslagerij van Brinkers werd gebouwd, moet de IJsselkade zijn opgetrokken. De gevelsteen is bewaard gebleven.

Na de opheffing van de scheepswerf bij de Goudse boom bleek kennelijk al snel dat Oudewater een scheepswerf niet goed kon missen, al was het alleen maar voor het onderhoud van de schepen van de beurtschippers. Rond 1850 begon Hendrik Stofberg aan de zuidzijde van IJsselveere een scheepswerf, in de bedrijfsgebouwen van de voormalige brouwerij ‘het Wapen van Haarlem’, die voordien korte tijd als stroopfabriek waren gebruikt. Deze scheepswerf heeft tot ca. 1920 bestaan.

literatuur: Nettie Stoppelenburg, ‘De oude scheepswerf van Oudewater’, in: Heemtijdinghen, 2011.