Bartholomeus Cornelisz Blijeel

1597-1656

Bartholomeus Blijeel werd rond 1597 geboren als zoon van Cornelis Bartholomeusz van Blijeel en Meijnsge Claesdr. Zijn moeder was een overlevende van de Oudewaterse moord. Bartholomeus was lijndraaier van beroep. Op 24 november 1630 huwde hij Machteltgen Hendricks van Dam, die eerder getrouwd was geweest met Gijsbert Goossens. Zij kregen één zoon, Cornelis, geboren in 1630, en drie dochters: Mensje geboren in 1631, Maria, geboren rond 1634 en Stijntgen, geboren in 1639.

In de notulen van de kerkenraad staat op 11 april 1637 genoteerd bij zijn naam: opt nieuw ten Avontmale met belijdenisse des gheloofs. Dat zou erop kunnen wijzen dat hij enige jaren remonstrants is geweest en zich in 1637 weer aansloot bij de gereformeerde kerk. Ook het feit dat de doop van Maria niet is geregistreerd in het doopboek van de gereformeerde kerk wijst daarop. In ieder geval werd hij in 1637 Heiligegeestmeester: hij werd dus belast met armenzorg.

Vanaf 1641 was Bartholomeus Blijeel diverse malen schepen. In 1649 werd hij aangesteld als kerkmeester.

In januari 1654 wordt Bartholomeus Blijeel genoemd als weesvader. Het is aan te nemen, dat hij al enige jaren eerder was aangesteld. In de eerste helft van de zeventiende eeuw werden weesvaders zelden in de bronnen vermeld. In 1636 werd Aert Jacobs Copper genoemd, in 1625 Cornelis Cornelisse en in 1617 Adrijaen de Visscher. De Visscher was mogelijk de eerste weesvader.

Het weeshuis van Oudewater was nog niet zo oud. Pas in 1602 was door het stadsbestuur besloten dat er een weeshuis nodig was. Het moest gebouwd worden op de grond van het voormalige Ursulaconvent. Om het weeshuis te voorzien van een vast inkomen, werd een deel van de pachtinkomsten van landen van het Ursulaconvent en van de Cellezusters bestemd tot inkomen voor het weeshuis. In 1604 werd een loterij georganiseerd om geld voor de bouw bijeen te krijgen. Op de gevelsteen van het weeshuis staat het jaartal 1613: aan te nemen is, dat het gebouw toen klaar was en aan weeskinderen onderdak kon bieden. In 1613 kreeg ook schoolmeester Jan Barentsz van Wijck extra salaris om de weeskinderen te onderwijzen.

In 1651 werden de weesvader, de weesmoeder en de weeskinderen geschilderd door H. van Ommen. Het schilderij was bedoeld voor de regentenkamer van het weeshuis. Op het schilderij zijn vijf weesmeisjes afgebeeld en dertien weesjongens. Het merendeel van de meisjes is al wat ouder. Zij bleven in principe in het weeshuis tot zij trouwden of een baantje als dienstmeisje hadden en vertrokken dan met een uitzet uit het weeshuis. In hun tienerjaren kregen zij les in naaien en breien. De jongens werden na hun schooltijd uitbesteed bij gildemeesters om een vak te leren. Wie de weeskinderen zijn, is niet meer te achterhalen omdat er vrijwel geen archief van het weeshuis bewaard is gebleven. De weesouders moeten Bartholomeus Blijeel en Machteltgen van Dam zijn.

Het jaar 1654 was wel het jaar waarin Bartholomeus Blijeel zijn functie neerlegde. In september 1654 werd Barent Jans van Deventer genoemd als weesvader. Hij was getrouwd met Niesgen Cornelisz. Zij bleven in functie tot 1673. Weesouders over wie de regenten en het stadsbestuur tevreden waren, bleven meestal meer dan 10 jaar in het weeshuis.

Bartholomeus Blijeel werd op 18 juni 1656 in Oudewater begraven. Machteltgen werd op 13 augustus 1670 begraven.

Het weeshuis bleef nog enkele eeuwen in gebruik als opvang van weeskinderen. Het werd in 1836 opgeheven.

© Nettie Stoppelenburg