E.C. Rahms

Eberhard Cornelis (‘Evert’) Rahms werd op 14 september 1823 in Rotterdam geboren als zoon van bakker Borgerd Rahms en diens tweede vrouw Dirkje Cornelia Meijer. Borgerd Rahms was afkomstig uit Duitsland en was als broodbakker gevestigd aan ‘Achter het verbrande klooster’, nr. 353 in Rotterdam. De jonge Evert volgde in Rotterdam lessen bij het Schilderkundig Genootschap ‘Hierdoor tot Hoger’ en bij ‘Arti Sacrum’. In 1840 kreeg hij zijn eerste getuigschrift, voor ‘handtekenen’. Vijf jaar later ontving hij zijn diploma als werkend lid. Ondertussen had hij ook schilderles genomen bij de kunstschilder J.H. van de Laar. 

Ondanks de artistieke aspiraties van Evert bepaalde zijn vader dat hij bakker moest worden. In 1845, nog voordat hij zijn diploma kreeg uitgereikt, werd Evert Rahms door het overlijden van zijn vader gedwongen om de bakkerszaak over te nemen. Zijn moeder overleed in 1849. Een jaar later trouwde Rahms met Johanna Maria Cornelia Buys, de dochter van advocaat mr. Pieter Avenhorn Buys en Johanna van der Roest uit Oudewater.

In 1854 vestigde het gezin Rahms zich in Oudewater. In Oudewater begon Rahms al snel te tekenen. Hij koos daarbij vooral voor topografische onderwerpen, zoals de stadspoorten, straatgezichten, gevels van oude huizen, de molens van Hoenkoop en de Vrouwenbrug over de Linschoten.

Soms kopieerde Rahms oude prenten. In 1859 tekende hij het beroemde schilderij van de Oudewaterse moord na en maakte hij hiervan een prent. Dit bleek een groot succes en de prent werd later ook als prentbriefkaart uitgegeven. 

In 1860 begon Rahms aan de overzijde van de straat, in het huidige huis Leeuweringerstraat 23, een boekhandel, antiquariaat en drukkerij. Hij was één van de auteurs van het ‘Gedenkboek van Oudewater. Beleg en moord in 1575’. Hij maakte hiervoor onder andere gebruik van een antiquarisch boekje met de rede van baljuw Krayestein over dit onderwerp. 

Rond 1860 schafte Rahms een camera aan en begon hij te fotograferen. Al snel kon hij in de fotografie het grootste deel van zijn creativiteit kwijt: tekenen kwam op de tweede plaats.

Rahms fotografeerde met een camera met glasplaatnegatieven. Dit procédé was in de jaren ’50 van de negentiende eeuw in gebruik gekomen. Het was een nieuwe ontwikkeling op dit gebied, waarvoor een minder lange opnametijd nodig was. Een glasplaat werd gedompeld in een bad van zilvernitraat. De opname moest worden gemaakt terwijl de plaat nog nat was. De opnametijd bedroeg minimaal een seconde waardoor het mogelijk werd om portretfoto’s te maken. Fotograferen met glasplaten was geen simpele techniek. Het was niet altijd gemakkelijk om een gelijkmatige laag zilvernitraat op de glasplaat te krijgen. De glasplaat moest zo snel mogelijk worden ontwikkeld. Dat beperkte het werkgebied van de fotograaf enorm en dat is goed te merken aan het werk van Rahms. Na één of twee opnames moest hij zich weer naar zijn donkere kamer haasten. De uiteindelijke afdruk was even groot als het glasnegatief, want vergroten behoorde nog niet tot de mogelijkheden. Voor een grote foto waren dus grote glasplaten nodig. Rahms werkte met één formaat glasplaten, met afmetingen van 11,5 bij 16,4 cm. De afdrukken die hij zelf vervaardigde, hebben een formaat van maximaal 11 bij 15 cm en hebben meestal afgeronde bovenhoeken.