Gijsbert van der Lee

1883 – 1966

Gijsbert van der Lee werd geboren op 19 mei 1883 te Oudewater als zoon van Adrianus van der Lee en Christina Maria Vriesman. Hij trouwde in 1915 te Nijmegen met Fenna de Blécourt, dochter van Berend Willem de Blécourt en Fenna van Egmond. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren: Christina Maria Elisabeth en Berend Willem. Gijsbert van der Lee overleed op 10 september 1966 te Oudewater.

De familie Van der Lee was al in de zestiende eeuw in Oudewater actief in de touwfabricage. In de achttiende eeuw ontwikkelde zich onder leiding van Gijsbert van der Lee (1713-1793) een familiebedrijf. Onder leiding van Gijsbert’s neef Cornelis van der Lee (1753-1826) concentreerde dit bedrijf zich in verschillende baanschuren langs de Biezenwal. Cornelis’ kleinzoon Gijsbert van der Lee (1819-1903) richtte in 1880 een stoomtouwslagerij op. Omdat een stoommachine buiten een straal van 200 meter van andere gebouwen moest staan, liet hij de fabriek bouwen op land in de polder Klein-Hekendorp dat al eeuwenlang in het bezit van de familie was.

De fabriek bestond uit een machinekamer en een touwbaan van zo’n 350 meter. De machines waren afkomstig van de lijnbaan ‘Het Fortuin’ in Amsterdam, eigendom van de firma Holst & Kooy die door Gijsbert van der Lee werd overgenomen. Gijsbert handhaafde het magazijn van Holst & Kooy en vestigde hier een verkoopkantoor. Na het overlijden van Gijsbert van der Lee zetten zijn zoons Adrianus en Cornelis Gijsbertus het bedrijf voort als een vennootschap. Adrianus was de laatste directeur van de lijndraaiersknechtsgildebeurs, de sociale voorziening voor het touwslagerspersoneel.

Vanaf 1919 stond Adrianus van der Lee samen met zijn zoon Gijsbert aan het hoofd van het Touwfabriek. Adrianus van der Lee was toen al 65 jaar en de feitelijke leiding was in handen van Gijsbert. Zij gebruikten de bedrijfsnaam ‘Stoomtouwslagerij en Machinale Spinnerij G. van der Lee’. In 1920 overleed Adrianus waardoor Gijsbert als bedrijfsleider in een lastige positie raakte. Hij moest het eigendom van de fabriek delen met zijn broers Klaas Jan en Piet, zijn zuster Marretje en zijn zwager Arie Beijen en zijn moeder Christina Vriesman. Zijn broer Piet raakte gecharmeerd van motorfietsen en kocht een Harley Davidson. In het fotoalbum over de Oudewaterse touwindustrie dat Gijsbert van der Lee later aanlegde, noteerde hij bij een foto van de motorfiets: ‘Het eerste vervoermiddel der directie’. Wat hij niet noteerde, was dat Piet de onderhoudsmonteurs van de fabriek in werktijd aan zijn motorfiets liet sleutelen.

De touwindustrie in Nederland werd in deze periode gekenmerkt door fusies. Fabrieken in Maassluis, Lekkerkerk en Edam fuseerden tot de ‘Verenigde Touwfabrieken’. De Touwfabriek G. van der Lee was – met ondere andere de firma Lankhorst in Sneek – één van de bedrijven die zelfstandig bleven. Dit bleek een verstandige beslissing: de ‘Verenigde Touwfabrieken’ draaiden al na enkele jaren met verlies. Gijsbert van der Lee werkte wel samen met de N.V. Staaldraadkabel- en Herculestouwfabriek in Gorinchem en werd in 1930 waarnemend directeur van dit bedrijf.

Ook het verkoopkantoor in Amsterdam baarde de nodige zorgen. De omzet liep zo terug, dat Gijsbert van der Lee zijn boekhouder H. van Doornen enkele dagen in de week naar Amsterdam stuurde om een oogje in het zeil te houden. In 1926 kreeg Van Doornen de dagelijkse leiding over het Amsterdamse kantoor. Dat veranderde in 1932, toen Gijsbert van der Lee besloot om samen te gaan werken met Frederik Herman van Peski. Van Peski werkte voor de N.V. Handelscompagnie in Rotterdam en wilde in Amsterdam voor zichzelf gaan beginnen. Samen met onder andere de bankiers Philippus en Rudolf Mees en Fentener van Vlissingen van de S.H.V. richtte Gijsbert van der Lee de N.V. De Hollandsche Compagnie op. Deze werd gevestigd in het Amsterdamse kantoor van Van der Lee. De directeuren Van Peski en Cornelissen hielden zich bezig met de handel in remvoeringen en stalen ramen, terwijl Van Doornen zich nog steeds bezighield met de verkoop van touwwerk en staaldraad. Na enkele jaren bleek dat alleen deze laatstgenoemde poot van het bedrijf goed liep en Gijsbert van der Lee besloot uit de N.V. De Hollandsche Compagnie te stappen. Bij de oprichting was al besproken dat in zo’n geval de oude situatie zou worden hersteld.

In 1931 overleed Christina Vriesman. Arie Beijen trok zich terug als vennoot in de fabriek en in 1936 kocht Gijsbert van der Lee zijn broers uit. In 1938 richtte hij met enkele familieleden de ‘Touwfabriek G. van der Lee N.V.’ op. Hij bezat zelf 120 van de 160 aandelen. In de toespraak die hij hield na de overname spoorde hij het personeel aan om de handen uit de mouwen te steken. Tot de nieuwe werkvoorschriften behoorde ook een beperking van de tijd voor het bezoek van het toilet. Inmiddels waren de fabrieksgebouwen aan het einde van de lange touwbaan aangegroeid tot de ‘zevenhuizen’. In 1941 ging de fabriek van stoom over op elektriciteit.

De Tweede Wereldoorlog was een moeilijke periode: de grondstoffen, manilla en sisal, konden niet meer worden aangevoerd. Er was nog wel hennep uit Italië en Hongarije, maar producten van hennep maakten nog maar een klein deel van de omzet uit. Ook in de eerste jaren na de oorlog was de import van grondstoffen problematisch. Om de fabriek draaiende te houden, werden onder andere versleten kabels aangekocht waarvan de nog bruikbare kernen opnieuw werden getwijnd. Daarnaast werd in 1949 de Spinnerij ‘Het Fortuin’ opgericht. In deze vlasspinnerij, gevestigd op een terrein achter de touwfabriek, werd Zeeuws vlas verwerkt. ‘Het Fortuin’ werd in 1953 verkocht aan de N.V. Lankhorst Touwfabrieken in Sneek.

Naast zijn werk als directeur van de touwfabriek was Gijsbert van der Lee zeer actief in het maatschappelijk leven van Oudewater en had een groot historisch bewustzijn. Hij zette zich als gemeenteraadslid en bestuurslid van de Weeskamer in voor restauraties van historische panden en het behoud van het zeventiende-eeuws karakter van Oudewater. Hij ging daarbij zelfs zover, dat hij ook nieuwe panden in de stijl van de zeventiende eeuw liet bouwen. Zo stond het huis Rodezand 32, in 1938 in opdracht van de Weeskamer gebouwd, jarenlang als origineel zeventiende-eeuws huis op de Rijksmonumentenlijst. Ook het huis Lange Burchwal 61, gebouwd door de Weeskamer op de plaats van een baanschuur, heeft een zeventiende-eeuws uiterlijk. Toen bij de verbreding van de Biezenpoortsteeg tot Biezenpoortstraat de baanschuur ‘De Ark’ deels ingekort moest worden, liet hij dit pandje voorzien van een trapgevel. In raadsvergaderingen bepleitte hij onder andere het planten van lindenbomen, omdat hiermee oude tradities gevolgd werden.

Gijsbert van der Lee was zeer betrokken bij de restauratie van het waaggebouw aan de Markt. Van 1925 tot 1937 beijverde hij zich, met de gemeentelijke architecten, voor restauratie van de waag in zijn oorspronkelijke vorm, met een trapgevel. De waag werd van 1938 tot 1942 gerestaureerd: de achttiende- eeuwse tuitgevel maakte plaats voor een reconstructie van de zestiende-eeuwse trapgevel. Het gebouw werd voor een groot deel ingericht met spullen uit de verzameling van Van der Lee, zoals tegeltableaus. Maar de meeste aandacht in de waag ging uit naar de grote schalen, waarop ooit hennep, kaas, vee en van hekserij beschuldigde personen werden gewogen. In 1950 (of 1952?) opende koningin Juliana de ‘Heksenwaag’.

In 1953 droeg Gijsbert van der Lee de bedrijfsleiding over aan zijn zoon. Hij wijdde zich nu volledig aan zijn hobby’s: Oudewater en het verzamelen van tegels en antiek. Op boelhuizen kocht hij antiek meubilair en serviezen, van de slopers van oude boerderijen kocht hij tegeltableaus. Om zijn verzameling te kunnen onderbrengen, had hij al in de jaren dertig de boerderij Kromme Haven 11-12, naast zijn eigen woonhuis, gekocht. Hij liet de stal herbouwen en in de zijgevels liet hij zijn collectie gevelstenen inmetselen. Het merendeel van deze gevelstenen was afkomstig uit Amsterdam. Het pand was ook gedeeltelijk in gebruik als woning voor de huisknecht. In de laatste jaren van zijn leven schonk Gijsbert van der Lee een groot deel van zijn tegelcollectie aan het Tegelmuseum in Otterlo, een ander deel ging naar het Openluchtmuseum in Arnhem.

Zijn belangstelling voor Oudewater kwam onder andere tot uiting door het aanleggen van een grote collectie beeldmateriaal over het stadje. Hij verzamelde achttiende-eeuwse prenten, negentiende-eeuwse tekeningen en foto’s. Van de erfgenamen van de negentiende-eeuwse fotograaf en tekenaar E.C. Rahms kocht hij tekeningen, glasnegatieven en oude afdrukken. Hij liet een deel van de glasnegatieven opnieuw afdrukken. De foto’s en tekeningen plakte hij in albums. Eén album wijdde hij speciaal aan de touwindustrie in Oudewater. Het bevat zowel foto’s van de baanschuren en de touwbanen in de Biezen en in de Wijngaard- of Achterstraat als foto’s van de touwfabriek. Vooral in de laatste jaren van zijn leven, toen hij tengevolge van suikerziekte aan een rolstoel was gekluisterd, verwelkomde hij bezoekers die zijn belangstelling deelden.

Gijsbert van der Lee was een fabrieksdirecteur van de oude stempel, maar ook een bijzonder sociaal-voelend mens. Niemand die bij hem aanklopte, werd met lege handen weggestuurd. Als hij voor een collectant de deur opendeed, stopte hij geen muntgeld maar ‘papieren geld’ in het busje.

literatuur:
J. Verhoog en H. Warmerdam, 450 jaar in touw. Touwfabriek G. van der Lee b.v. sinds 1545. Noordwijk 1995.

bronnen:
Het Utrechts Archief, Notarieel Archief Oudewater
Gemeentearchief Oudewater, Collectie Van der Lee.
Informatie van de familie.