Hendrick Schrijver

1605-1665 – Baljuw

Hendrick Schrijver (1605-1665) was de zoon van de Leidse geleerde Pieter Schrijver of Petrus Scriverius en Anna van der Aar. Petrus Scriverius studeerde rechten in Leiden, maar na zijn huwelijk in 1599 hoefde hij niet meer te werken. Hij was één van de eerste oudheidkundigen en publiceerde veel oudheidkundige werken. Anna van der Aar overleed in 1656. Petrus Scriverius was toen al enkele jaren blind en trok in bij zijn zoon Hendrik in Oudewater. Hij stierf in 1661 en werd in de Hooglandse kerk in Leiden begraven.

Hendrick Schrijver werd in 1650 aangesteld als baljuw en schout van Oudewater. Hij was op 29 mei 1649 getrouwd met Anna van Rodenburg, dochter van de rijke brouwer Johan van Rodenburgh de jonge. Uit het huwelijk werden twaalf kinderen geboren, waarvan verschillende jong stierven. In 1650 kocht Schrijver het huis Leeuweringerstraat 55-59, een groot dwarshuis waar eerder de apotheker Jan Harmensz Wijnstock had gewoond.

De functies in het stadsbestuur waren in de zeventiende en achttiende eeuw heel anders dan tegenwoordig. Het stadsbestuur had zich in de middeleeuwen ontwik­keld met de groei van nederzetting tot stad. In 1265 of enkele jaren eerder had Oudewater stadsrechten gekregen. De nieuwe stad kreeg daarmee het recht om markt te houden­, om een omwalling aan te leggen en om een stadsbestuur te kiezen. Dat stadsbestuur werd geleidelijk aan uitgebreid. In de zeventiende en achttiende eeuw bestond het stadsbestuur uit baljuw, schout, schepenen, burge­meesters, vroed­schap en de secretaris.

Het oudst waren de functies van Schout en Schepe­nen. Schepenen waren van oor­sprong rechters.Het woord is afgeleid van het Middel­nederlandse woord scep­pen wat in orde brengen betekende. De schepenen waren zowel rechters als bestuur­ders. In Oudewater waren in de zeventiende eeuw zeven schepenen in functie. De schout was het hoofd van de sche­penbank; in dorpen had de schout een soort burgemeestersfunctie, maar in een stad als Oudewater was dat anders. Hier had hij een taak die te vergelij­ken is met die van commissaris van politie en bij een rechts­zaak had hij een taak die te vergelij­ken is met die van de tegen­woordige officier van justitie. Omdat Oudewater een stad was, had de schepen­bank de bevoegd­heid om een misdadi­ger tot de doodstraf te veroorde­len. De baljuw was de vertegen­woordiger van de lands­heer. Hij was voorzitter van het stadsge­recht en deed de uitspraken. In de zeventiende eeuw kon iemand zowel baljuw (rechter) als schout (aanklager) zijn, in de achttiende eeuw werd dit in steeds meer steden verboden. In alle Neder­land­se steden en dorpen waren tot aan de Franse tijd bestuur en recht­spraak op deze manier geregeld.

In de vijftiende eeuw werd de vroedschap ingesteld. Een lid van de vroedschap werd aangeduid als raad of raad in de vroedschap. Een raad in de vroed­schap had de taak om advies te geven aan de schepenen. De leden van de vroed­schap kozen jaarlijks de schepenen, waarna ze werden bgnoemd door de baljuw. In de zeventiende eeuw deelde de vroedschap de bestuurstaken met de schepenen. Een vroedschap telde minimaal 16 en maximaal 24 leden.

In elke stad waren minstens twee burgemeesters. Zij werden gekozen uit de schepenen en dienden voor twee jaar. Het eerste jaar in functie was een soort junior-jaar, het tweede jaar was het jaar als regerend burgemeester. Burge­mees­ters en schepenen vormden samen de magistraat, de uitvoerende macht die de dagelijkse beslis­singen in de stad nam. Zij zijn vergelijkbaar met het huidige college van burge­meester en wethouders. Burgemees­ters, schepe­nen en vroed­schap gezamenlijk namen de beslissin­gen die van politiek belang waren. Verder was er een secreta­ris of geheimschrijver, die verant­woor­delijk was voor de notulen van de vergade­ringen, de correspondentie en de archief­vorming.

In de Franse tijd (1795-1811) veranderde dit systeem. De gekozen municipaliteit was in eerste instantie even groot als de vroedschap, maar werd al snel ingekrompen. In de negentiende eeuw ontwikkel­de zich de gemeenteraad zoals we die nu kennen.

Schrijver was baljuw in een tijd dat er veel speelde, hoewel dat geen grote zaken waren. Het schilderij van de Oudewaterse Moord werd in 1650 voltooid. In 1651 werden weesvader Bartholomeus Blijeel en weesmoeder Machteltgen Hendricksz van Dam met de weeskinderen geschilderd. In 1657 kwam het boek van Borremans uit, waarin hij schrijft over de heksenwegingen in Oudewater. Er is geen registratie van gerechtelijke archieven uit de tijd van Schrijver bewaard gebleven: wel vanaf het jaar van zijn dood.

Hendrick Schrijver overleed in 1665. Ter gelegenheid van zijn begrafenis, op 12 mei, werd drie dagen lang de klok geluid. De kosten van de begrafenis waren dan ook exorbitant hoog: 61 gulden en 19 stuivers.

Tekst : Nettie Stoppelenburg