Jan Pietersz. van der Lee

ca. 1545-1613 – lijndraaier

Jan Pietersz. van der Lee werd geboren omstreeks 1545 als oudste zoon van Pieter Ghijsbertsz. van der Lee. Hij huwde tweemaal. De naam van zijn eerste vrouw is niet bekend. Uit dit eerste huwelijk werden drie kinderen geboren: Ghijsbert, Annetgen en Pieter. Na het overlijden van zijn eerste echtgenote huwde hij Marrichien Pietersdr. Stolwijck of Stolcker. Jan Pietersz. van der Lee stierf in 1613 in Oudewater. Zijn weduwe overleed in 1616.

Jan Pietersz. van der Lee werd geboren in een welgestelde Oudewaterse lijndraaiersfamilie. Oudewater vervulde als grensstad van Holland en als marktstad een belangrijke positie in de regio. Op het gebied van de touwproductie speelde Oudewater zelfs een rol van nationaal belang. De haringvloot voer met netten uit Oudewater en de tuigage van de schepen van de koopvaardijvloot en de admiraliteit was gemaakt van garen uit Oudewater. Oudewater was in zestiende eeuw rijk dankzij de touwproductie.

In de straten langs de wallen en zelfs op de wallen stonden de ‘galgen’ van de lijnbanen. Lijndraaiers sponnen hier van hennep draden die vervolgens in elkaar geslagen werden tot garen. Vervolgens twijnden zij dat enkele garen tot een verhandelbaar product. Schippers brachten de schijven met garen naar de grote havensteden, waar ze op de grote lijnbanen bij de scheepswerven verder werden verwerkt. De boeren rondom Oudewater, in de Lopikerwaard, de Krimpenerwaard en het land van Woerden, verbouwden hennep maar de Oudewaterse lijndraaiers kochten ook hennep uit de Baltische landen.

In Oudewater was al rond 1560 de invloed van de reformatie merkbaar. Zo had de Roomse priester zijn functie neergelegd vanwege zijn protestantse denkbeelden. Verschillende families waren al overgegaan tot het protestantisme. De familie Van der Lee ging nog een stap verder. Met zijn broer Claes nam Jan Pietersz. van der Lee dienst bij de Geuzen. Jan was als watergraaf betrokken bij de inname van Den Briel in 1572. Enkele maanden later behoorden zij tot manschappen die onder leiding van jonker Adriaan van Swieten Oudewater en Gouda innamen voor de geuzen. Jan Pietersz. van der Lee maakte hierbij indruk omdat hij op een ongezadeld, zwart paard zat en een touw gebruikte als toom. Na deze avonturen vestigde hij zich weer in Oudewater en werd daar in 1574 gekozen tot schepen. In 1574 woedde de pest in Oudewater. Jans’ jongere broer Geerlof was één van de vele slachtoffers.

In januari 1575, na de mislukte vredesonderhandelingen met Requesens, werd Oudewater al voorzien van voedsel, geschut en manschappen omdat de Staten voorzagen dat de stad op de grens van het bevrijde Holland een groot risico liep. In het voorjaar, toen de Spaanse legeraanvoerder Hierges met een leger de noordelijke Nederlanden binnentrok, drongen zij aan op het evacueren van vrouwen en kinderen en het doorsteken van de dijken. Maar de inwoners van Oudewater meenden dat het zo’n vaart niet zou lopen. Door inundatie zou de hennepoogst van dat jaar verloren gaan en dat betekende een grote klap voor de touwindustrie. Er was een garnizoen met 350 huursoldaten onder aanvoering van Hans Munter in de stad gelegerd. Daarnaast was er de Oudewaterse schutterij met nog eens 350 man onder leiding van Jan Pietersz. van der Lee.

Op 19 juli 1575 bereikte de voorhoede van het spaanse leger de schansen rond Oudewater. Pogingen om dijken door te steken, mislukten, de schansen werden ingenomen en de vijand blokkeerde de IJssel. Munter raakte al gewond bij de inname van de schansen en Jan Pietersz. van der Lee nam het commando over. Hij liet de poorten blokkeren met hennep, takken, mest en aarde. De enige hoop voor Oudewater was, de belegering vol te houden tot er hulp van buiten kwam. Op zaterdag 6 augustus liet Hierges de stad opeisen. Jan Pietersz. van der Lee verzocht om drie dagen uitstel, maar kreeg slechts enkele uren. In de middag begon de beschieting, waarbij een grote bres in de muren werd geslagen bij de Waardpoort. Op zondag 7 augustus bestormde het spaanse leger de stad en drong door de bres bij de Waardpoort Oudewater binnen. Claes Pietersz. van der Lee stierf bij de gevechten en plunderingen in de stad.

Jan Pietersz. van der Lee werd tijdens het gevecht in de Kapellestraat gewond maar wist zijn leven te redden door losgeld te beloven. De soldaten namen hem mee naar het huis ‘de Haversak’ aan het Amsterdamse veer waar hij zijn vriend Leendert Ariensz. van Dam trof, die zich tussen de doden verschool. Samen werden zij overgebracht naar het legerkamp. Hier vertelde Van Dam een verzonnen verhaal over een groot kapitaal dat hij in Schoonhoven zou hebben uitstaan. Hij kreeg drie dagen de tijd om het geld op te halen en Van der Lee bleef als gijzelaar achter. Op zijn beurt maakte hij de Spanjaarden wijs dat bij een bepaald huis tweeduizend gulden begraven was. Twee soldaten begeleidden hem naar het huis, terwijl hij voordeed alsof hij nauwelijks kon lopen door zijn wonden. Bij het huis aangekomen ging één soldaat op zoek naar een schop. Van der Lee ontwapende de andere soldaat en klom over een schutting. Buiten de stad verborg hij zich op een hennepakker. Zodra de achtervolging gestopt was, ging hij naar Schoonhoven. Bij de vlucht was hij gewond geraakt aan zijn hiel. Arnoldus van Duyn, die in 1669 een verslag van ‘Oudewaters moord’ publiceerde, zei hiervan: ‘Vint zynen hiel by na afgeslagen.’ Van der Lee sneed het losse vlees zelf af. Later werkte hij met Van Dam in Gouda als zakkendrager. Toen Gouda een beloning van vijftig gulden uitloofde voor het gevangennemen van deserteurs uit het Spaanse leger die de regio onveilig maakten, nam Van der Lee zijn kans waar om wraak te nemen en geld te verdienen. Volgens Van Duyn slaagde hij erin één man van een groepje van drie te onthoofden. De man was kaal en om het hoofd mee te kunnen nemen om zijn premie te krijgen, moest Van der Lee zijn vingers in de mond steken.

In december 1576 werd de Spaanse bezetting uit Oudewater verdreven. Van der Lee keerde in 1578 terug in de stad. De stad was door de Spanjaarden gedeeltelijk verwoest, maar de stenen huizen in de straten langs de haven moeten bewoonbaar zijn geweest. In 1578 werden de laatste puinresten op de straten opgeruimd. Voor de touwproductie was bovendien alleen een opslagplaats nodig, het productieproces zelf vond in de open lucht plaats. In 1579 werd Van der Lee opnieuw gekozen als schepen. In de jaren 1581-1582 en 1586-1587 was hij burgemeester van Oudewater. In deze periode werd gewerkt aan de verdedigingswerken van de stad, met name van het nieuwe stadsdeel IJsselveere. IJsselveere hoorde voor 1575 bij Montfoort, maar maakte nu deel uit van Oudewater. In 1588 werd de oude IJsselpoort, tussen de Romeynbrug en de brug over de IJssel, grotendeels gesloopt. In de tussenliggende jaren moeten de walbruggen over de IJssel zijn gebouwd. Tijdens het burgemeesterschap van Jan Pietersz. van der Lee, in 1586, bracht prins Maurits een bezoek aan de stad. Van 1587 tot aan zijn dood was Jan Pietersz. van der Lee wachtmeester van Oudewater. Daarnaast was hij ingeland van de polder Klein-Hekendorp. In 1880 zou één van zijn nazaten in deze polder op land dat al sinds generaties in de familie was, de nog bestaande touwfabriek Van der Lee bouwen.

In de eerste jaren na zijn terugkeer in Oudewater woonde Jan Pietersz. van der Lee in de Havenstraat. Later woonde hij in het (inmiddels afgebroken) huis ‘de Engel’ in de Wijdstraat. Gedurende de laatste jaren van zijn leven woonde hij in het pand IJsselveere 2-4. Van der Lee was ook eigenaar van de panden IJsselveere 6 en 8. Op de kade tussen het huis en de IJssel had Van der Lee een touwbaan ingericht en enkele bomen geplant. De kade was weliswaar niet zijn eigendom, maar in principe liepen alle grootgarenbanen over de openbare weg of over ander terrein dat eigendom was van de stad. In 1611 besloot het stadsbestuur dat zij de kade als openbare weg wilden inrichten. Jan Pietersz. van der Lee ging hiermee accoord mits hij de waarde van de bebouwing en beplanting uitgekeerd zou krijgen. In januari 1612 werd door twee timmerlieden en een metselaar een taxatie gemaakt. Voor de vijf perenbomen en de notenboom kreeg hij 80 gulden, voor de stenen trap naar de IJssel die hij had laten aanleggen 180 gulden, voor twee schuren respectievelijk 52 en 91 gulden en voor een poort met eikenhouten stijlen en een vurenhouten deur 3 gulden.

Literatuur:
A. van Duyn, Oudewaters Moord. 1669.
G. van der Lee, Genealogie Van der Lee. Nederlands Patriciaat, 19..
A.W. den Boer en Johan Schouten, Oud-Oudewater. Oudewater 1965.
J.G.M. Boon, 1570-1580 Oudewater. Vrijheid en gezag. Oudewater 1975.

Bronnen:
HUA: Stadsgerecht Oudewater, inventarisnr. 149.
Oudewater: Collectie van der Lee