Johanna Vroesen

1677-1752 – Hereboerin

Johanna Vroesen werd op 1 april 1677 in Rotterdam gedoopt als dochter van Willeboort Vroesen en Cornelia van Berkel. Zij bleef ongehuwd en overleed op 14 september 1752 in Oudewater.

De Vroesens waren een republikeinse regentenfamilie uit Rotterdam. Hun positie in de stedelijke politiek van Rotterdam was afhankelijk van de landelijke politiek en met name de machtspositie van de prinsen van Oranje. In 1618 was Cornelis Pietersz. Vroesen lid van de vroedschap van Rotterdam en baljuw en dijkgraaf van Schieland. Hij raakte zijn functie kwijt door de coup van Maurits in dat jaar. Adriaan Vroesen, de vader van Willeboort, wist de familie in 1657 weer aan de macht te krijgen. Hij was raad en burgemeester van Rotterdam en zijn zoon Adriaan junior was secretaris van de stad. Na de dood van Adriaan senior werd junior burgemeester en Willeboort secretaris. In 1672, met de machtsovername door Willem III, kwam er weer een einde aan de macht van de Vroesens.

Adriaan Vroesen was getrouwd met Johanna Snellius van Rooyen, de dochter van de Oudewaterse wiskundige Willebrord Snellius van Rooyen. Adriaan bezat daardoor ook land in Oudewater, aan de singel buiten de Biezenpoort tot langs de Linschoten, de huidige Noortsyde. In 1649 kocht hij hier nog 5,5 morgen land, waardoor hij een aaneengesloten eigendom kreeg. Bij elkaar ging dat om 20 morgen bouw- en weiland, ongeveer 17 hectare in huidige oppervlaktematen. Ook bij de verkoop van het huis van Snellius van Rooyen in de Kapellestraat, in 1643, werd Adriaan Vroesen genoemd als één van de rechthebbenden.

Huis van Johanna Vroesen

Willeboort Vroesen en zijn vrouw Cornelia van Berkel hadden drie kinderen: Adriaen, gedoopt op 15 maart 1668, Hillegonda, gedoopt op 21 februari 1672, en Johanna. De oudste twee kinderen waren gereformeerd gedoopt maar Johanna werd remonstrants gedoopt. De doop vond thuis plaats: kennelijk wilde de familie deze overstap nog niet publiek maken.

In 1703 betrok de weduwe van Willeboort met haar twee dochters Johanna en Hillegonda een huis aan de Korte Donkere Gaard in Oudewater, op de plaats van het huidige pand Donkere Gaard 7. Hillegonda en Johanna waren nog steeds ongehuwd en waren kennelijk van plan om de rest van hun leven in Oudewater te blijven. In 1716 kochten de zusters één van de vele boerderijen in het stadje. Het ging om het huidige pand Kromme Haven 11-12, een boerderij met een wagenhuis, twee hooibergen en een ruim erf. Er hoorde geen grond bij, maar uit diverse aktes blijkt, dat ze de grond van hun grootvader Adriaan Vroesen aan de Oudesingel hadden geërfd. De dames moeten zich grondig hebben verdiept in het boerenleven. De voorwaarden in het pachtcontract zijn voor het merendeel conform aan de gangbare eisen. De pachtboer mocht zijn koeien ‘s winters alleen in hun boerderij stallen, zodat er niets van de mest verloren zou gaan. In het jaar voordat de pacht zou aflopen, mocht hij de kostbare mest zelfs niet meer vervoeren. Hij mocht maar twee paarden weiden. Hij moest in april en augustus de stekels, biezen, en ander onkruid van het land verwijderen. Hij moest de sloten op tijd uitbaggeren. Eén voorwaarde is afwijkend in deze opsomming. De verbouw van haver op hun land moest worden gestopt: van één haverakker moest de boer een extra hennepakker maken, de overige akkers moesten weer weiland worden. Voor de pacht van het land en de boerderij betaalde de pachtboer per jaar 278 gulden.

De dames Vroesen lieten de wanden van de belangrijkste vertrekken zoals ‘het salet’ in het huis aan de Donkere Gaard bespannen met goudleren behang. Cornelia van Berckel, de weduwe van Willeboort Vroesen, overleed al in 1707. In 1716 kochten Johanna en Hillegonda het buurhuis aan de Donkere Gaard, nummer 4-6. Op deze manier konden zij aan de volgende eigenaar voorwaarden stellen om hun privacy te waarborgen. Ze lieten in het koopcontract voor de nieuwe eigenaar opnemen, dat hij en zijn opvolgers niet meer ramen in de achtergevel mochten maken en dat de drie ramen die er al waren, ook niet vergroot mochten worden.

In 1720 kochten Johanna en Hillegonda voor 130 gulden nog een boerderij aan de Kromme Haven, tussen de Biezenstraat en hun eigen pachtboerderij. In de zeventiende eeuw was dit een oliemolen geweest, maar inmiddels was het niets meer dan een vervallen ‘bouwhuis’. Ze lieten het pand verbouwen tot een herenhuis. Het huis kreeg een grote opkamer boven een al even grote kelder, die gedeeltelijk bedoeld was voor hun pachtboer. De boerderij had geen kelder en het woongedeelte was te klein om er een kelder onder te laten maken. De kelder was door een muur in tweeën gedeeld, maar de zusters konden via een deur in deze muur de zuivelproductie van hun pachtboer in het oog houden. In 1721 verkochten ze het huis Donkere Gaard 7 aan een nieuwe eigenaar: Pieter de Mey, een Rotterdamse regent. De verkoop was inclusief de goudleren behangsels in het huis en een schilderij op de schoorsteenmantel in het voorsalet. Pieter de Mey telde het forse bedrag van 2000 gulden neer voor het huis. In het koopcontract werd afgesproken dat Pieter de Mey het huis op 1 mei 1722 zou kunnen betrekken, tenzij de nieuwe woning van de zusters Vroesen nog niet klaar was. In dat geval zouden ze nog zes weken zonder huur te betalen in het huis mogen blijven, maar dan moesten ze wel ruimte maken voor de meubels van de familie De Mey. De bouw liep volgens schema en op 4 mei 1722 konden Pieter de Mey en zijn vrouw in hun nieuwe woning trekken.

Ook het nieuwe huis van de zusters Vroesen werd goed ingericht. Uit de boedelinventaris die na Johanna’s overlijden werd opgemaakt, is veel af te leiden over hun leefwijze. De opsomming van de meubels begint met ‘twee papegaijen, elk in een getralyde koy’. Een indeling van het huis wordt niet gegeven, maar waarschijnlijk bestond dit uit drie woonvertrekken, een keuken en vier slaapkamers. Er zijn vier ingelegde kabinetten, een eiken kabinet en twee tinkasten; een tafel met een gesneden voet, een eiken tafel en nog twee tafels zonder verdere beschrijving; vier theetafels, vier vouwtafels en nog diverse kleine tafeltjes; achttien rotting stoelen, zes stoelen met blauwe zijden kussens en veertien ‘mindere of gemeene’ stoelen. Aan de wanden hangen zeven spiegels en negenendertig schilderijen. In de slaapkamers staan vier ledikanten met behangsels van casiant, say en linnen, elk met een bed (matras), een peluw, een lendekussen en diverse hoofdkussens. Een flessenrek, zeventien wijnglazen, twee koffiemolens, zeven trekpotten, zesentwintig kop en schotels en zesentwintig chocoladekoppen laten zien dat de dames zich weinig ontzegden. Ook het tuinhuis is rijkelijk gemeubileerd met een hangoor tafel, een theetafeltje, acht stoelen, vier stoven, twee comforen, een spiegel en het nodige theegerei. De bibliotheek van de dames omvat achtendertig titels, waaronder vooral stichtelijke werken. De predikanten G. en K. Brandts (remonstrants?) waren goed vertegenwoordigd met onder andere bundels preken, een ‘historie der reformatie’ en een ‘historie van de regtspleging tegen Oldenbarneveld’. Johanna’s bijdehante karakter blijkt vooral uit de lijsten van haar kleding en haar sieraden. Johanna ging zelfs op hoge leeftijd nog met de mode mee. In de eerste helft van de achttiende eeuw waren parels in de mode geweest, maar rond 1750 gaf men de voorkeur aan diamanten. Johanna bezat één snoer parels, maar ook vier ringen met diamanten en zelfs een paar oorbellen met diamanten die op 600 gulden getaxeerd werden. Veel huizen in Oudewater waren minder waard dan de oorbellen van Johanna. Rond dezelfde tijd moesten groene zijden kousen plaatsmaken voor witte kousen. Johanna bezat één paar groene zijden kousen, nog drie paar zijden en zes paar sayette (dunne wollen) kousen waar geen kleur bij genoemd staat en vijfentwintig paar witte kousen. Handschoenen werden niet meer van leer of zijde gemaakt, maar gehaakt. Johanna bezat één paar zwarte zijden handschoenen en twintig paar handschoenen van wit garen. Rond 1750 werd het mode om in plaats van een corset onder de japon, een japon met een rijglijfje te dragen. Johanna bezat acht corsetten maar ook twee rijglijfjes. Bijzonder is de vermelding van zestien witte ‘Engelse broeken’. De onderbroek werd pas na 1850 een gewoon kledingstuk voor de vrouw. Ook is het opvallend dat er geen versleten kleding genoemd werd in de opsomming, zoals gebruikelijk is in die tijd. Waarschijnlijk gaf Johanna kleding die sleets werd direct door aan haar personeel of aan de armen.

De zusters Vroesen waren erg betrokken bij hun boerenbedrijf. Niet alleen konden ze in de kelder van hun pachtboer komen, vanuit hun tuinhuis aan de singel konden ze zijn weilanden en hennepakkers bekijken. De pachtboeren wisselden voortdurend. In 1717 werd het bedrijf voor drie jaar verpacht aan Gerrit Klaasz. Benschopper. In 1735 pachtte Geerlof Dammensz. Bruyser de boerderij voor vijf jaar onder voorwaarde dat hij de was van de zusters naar de bleek bracht en dat hij voor de acht koeien zorgde die zij inmiddels zelf in eigendom hadden: Krijn, de Smit, Ossenkop, Klaaren, Polsbroek, Rooie Floor en dan nog twee koeien die beide Rijkelijkhuizen heetten. Vooral Johanna is de drijvende kracht in dit geheel: dat blijkt wel uit een handtekening die zij in deze periode zet: ‘voor mijn en voor mijn suster. Johanna Vroesen’. Na het overlijden van Hillegonda in 1743 had Johanna alleen het heft in handen. In 1749 liet zij Jacobus van den Donk van de boerderij zetten wegens pachtschulden. Een jaar later verpachtte zij de boerderij aan Teunis van Eyk. In 1751, toen Johanna kennelijk zelf geen oogje meer in het zeil kon houden, machtigde zij de chirurgijn Pieter de Nuver om ‘haar hofstede en landen gade te slaan’. Op 28 juni 1752 lag Johanna ziek te bed en machtigde zij De Nuver om haar begrafenis te regelen. Waarschijnlijk is ze maandenlang bedlegerig geweest: in de boedelinventaris wordt ook een ondersteekbekken genoemd. Op 14 september overleed Johanna.

Pas in 1762 werd Johanna’s onroerend goed verkocht. De koper was timmerman en aannemer Cornelis de Man. Voor het huis Kromme Haven 13 betaalde hij 800 gulden. In 1763 verkocht hij het pand na de nodige verbouwingen voor 2000 gulden aan apotheker Jan Boogh. Cornelis de Man moet het huis in ieder geval van een nieuwe gevel hebben voorzien.