1683 Brand in de brouwerij

Brand in de brouwerij

1683

Wat schittert daar toch door het raam? Pieter ligt samen met zijn broertje Ary in een bedstee in de jongenskamer van het weeshuis. Hij sliep al lang, maar hij is wakker geworden. Er komt een vreemde lucht de kamer binnen en door het raam ziet hij een rode gloed bewegen. Hij hoort mensen de trap op stormen. De binnenvader bonst op de deur en roept dat ze wakker moeten worden en snel wat aantrekken. Pieter schudt zijn broertje wakker. Michiel, Gerrit en Cornelis springen al uit hun bedstee. Waar is zijn broek? Waar staan zijn klompen? Hij gaat toch echt niet zo in zijn hemd naar buiten.

Als hij de deur van de kamer opentrekt, ziet hij dat de binnenmoeder met Jannichje de meisjeskamer uit komt. Haar jak is nog los en ze heeft in de haast geen muts opgezet. Jannichje loopt nog in haar hemd, maar de binnenmoeder heeft haar kleren over de arm. De jongens rennen achter hen aan naar beneden. In de grote zaal zien ze door de ramen de vlammen omhoog schieten. En er komen vonken naar het weeshuis toe. Pieter heeft geen uitleg nodig om te weten wat er aan de hand is: de brouwerij van Munter staat in brand! Het is buiten het weeshuis ineens een drukte van belang. De stalhouders komen aangereden met wagens en de deuren van het kruithuis staan open. Dat kruithuis is tegen het weeshuis aangebouwd en als het dak in brand gaat, zal het kruit ontploffen. Het kruit wordt op de wagens geladen en weggereden. Maar als er vonken op het dak vlamvatten voordat het kruit weg is, gaat het weeshuis ook de lucht in. Ze moeten hier weg!

De binnenmoeder is al weggerend met Jannichje. De binnenvader helpt mee met het kruit. Niemand kijkt naar de jongens. Pieter grijpt Michiel bij de arm en ze kijken elkaar aan. Wat zullen ze doen? ‘Kom op, we gaan mee helpen blussen’, zegt Pieter.

Ze pakken de brandemmers van het weeshuis mee en ze rennen de Nieuwstraat in. In de Schoolsteeg zien ze de brandspuit staan. Er lopen mannen met emmers om water uit de stedesloot in het reservoir van de brandspuit te gooien. De andere pijp is gericht op het brouwhuis. Vier mannen staan te trappen op de pomp en het water spuit omhoog. Daar kunnen ze niet bij helpen, ze rennen door naar de Havenstraat.

Daar staan de mannen met de brandemmers. Er zijn meerdere rijen. Bij de haven staan mannen die het water ophalen uit de haven. Ze zetten de volle emmers op de straat en de eerste in de rij pakt zo’n volle emmer op en geeft hem door naar de volgende in de rij en die weer naar de volgende en zo verder. Volle emmers zijn zwaar en ze moeten zorgvuldig worden doorgegeven. Twee rijen mannen door het hele huis van Dirck Munter geven de emmers aan elkaar door en de man aan het eind gooit het water op de brand. Dan gooit hij de emmer weer terug, maar dat is lastig, want er moet een paar keer gegooid worden om de emmer door het huis heen op de straat te krijgen. Ook bij de buren staan de deuren open. Daar staan achter het huis mannen op brandladders zodat ze het water van een hoger punt op de brand kunnen gooien. Dan gooien ze de emmer naar beneden en ook die emmers moeten weer terug naar de haven.

Pieter ziet het meteen: volle emmers water zijn te zwaar, maar die lege emmers, daar kunnen ze bij helpen. De jongens gooien de emmers naar elkaar en zorgen dat er zo snel mogelijk weer lege emmers bij de haven staan. Ze zijn nog niet lang bezig als ze het brouwhuis met een donderend geraas in elkaar horen storten. Maar het brandt nog steeds en die brand moet geblust. Het begint al licht te worden en dat maakt het gemakkelijker om de brandemmers snel terug te krijgen bij het water. Maar het blussen moet doorgaan, tot de brand echt uit is. Zelfs als het smeult, kan het vuur nog weer oplaaien. Kort voordat de klok van de kerktoren negen uur slaat, komt het signaal dat de brand meester is.

Pieter heeft eindelijk tijd om rond te kijken. Het lijkt wel alsof iedereen die lopen kan, heeft meegeholpen met blussen. Zelfs burgemeester De Koninck heeft brandemmers doorgegeven. Zijn witte hemd is grauw van de as en de tranen staan in zijn ogen. Dit was de brouwerij van zijn ouders en zijn grootouders, hij is hier opgegroeid. En natuurlijk is hij vannacht ook bang geweest dat het kruithuis zou ontploffen, net als ooit in Delft is gebeurd. Pieter kent hem wel, hij komt elk jaar op 1 januari in het weeshuis om te tracteren voor zijn verjaardag. Dat heeft zijn vader ooit ingesteld toen hij geboren werd.

Daar komt Michiel aangelopen. En Ary en Gerrit en Cornelis. Hun gezichten zijn grijs van de as en het roet, maar ze kijken heel tevreden. Pieter hoort zijn maag knorren. ‘Zullen we maar eens gaan kijken of moeder nog wat te eten voor ons heeft?’, zegt hij, ‘Het weeshuis staat er nog. Dankzij ons!’


Auteur: Nettie Stoppelenburg
Tijdvak: Tijd van regenten en vorsten | Hoofdlijn: Wat weten wij?


Weetjes

Wat gebeurde er in 1683?

In de nacht van 18 op 19 mei 1683 ontstond er brand in de brouwerij ‘Het Wapen van Oudewater’ aan de Havenstraat. De brand werd te laat ontdekt omdat de kleppermannen, die ’s nachts de ronde moesten doen als brandwachters, te vroeg naar bed waren gegaan. Het brouwhuis stond dus al in lichte laaie voordat het blussen begon en de vonken gingen in de richting van het weeshuis en het kruithuis.

De brouwerij
Brouwerij ‘Het Wapen van Oudewater’ was gevestigd in of achter wat nu Havenstraat 8 was. Havenstraat 8 was woonhuis, kantoor en pakhuis van de brouwer. Het brouwhuis stond achter het huis, in wat nu de tuin is.
Pieter

Pieter den Decker was samen met zijn broertje Ary in 1681 na het overlijden van hun moeder door hun stiefvader Jan Ruijsen Brunt in Kamerik achtergelaten. Ze waren in Oudewater geboren en het dorpsbestuur van Kamerik stuurde hen dus terug naar Oudewater. Zo kwamen ze in het weeshuis terecht.
In 1683 woonden ook de broers Michiel, Gerrit en Cornelis Joostensz en Jannichje Coorn in het weeshuis.

Het weeshuis
Het weeshuis van Oudewater was in 1602 opgericht. Er zijn alleen nog tekeningen en oude foto’s van, het is afgebroken, maar het stond waar nu het huis Gasplein 1 staat. Het weeshuis was bedoeld voor kinderen van burgers van Oudewater van wie de ouders waren overleden. De kinderen moesten in Oudewater zijn geboren en er moest geld zijn voor hun opvoeding. Ze gingen naar school en daarna mochten ze kiezen welk vak ze wilden leren. Kinderen van ouders die geen burgerrechten hadden en ook geen geld, gingen naar het armhuis. De kinderen in het armhuis gingen niet naar school maar moesten werken. Er is weinig archief van het weeshuis bewaard gebleven, dus het is niet altijd zeker hoeveel kinderen en wie precies in het weeshuis woonden. Maar van de kinderen in dit verhaal is zeker dat zij er in 1683 woonden.
Het kruithuis
Een deel van het gebouw van het weeshuis werd gebruikt voor de opslag van munitie, ‘kruit’ dus.
Binnenmoeder en binnenvader

Het stadsbestuur benoemde een binnenvader en een binnenmoeder om voor de weeskinderen te zorgen. In 1683 waren dat Martinus Naveu en zijn vrouw. Zij woonden met de kinderen in het weeshuis en ze zorgden voor de maaltijden en de kleding van de weeskinderen. Er waren ook ‘buitenvaders’ en ‘buitenmoeders’: dat waren de regenten die toezicht hielden op de binnenvader en de binnenmoeder en die zorgden dat de weeskinderen een vak leerden.

Brouwerijen
In 1683 waren er vijf bierbrouwerijen in Oudewater: ‘Het Wapen van Haerlem’ en ‘De Dissel’ op IJsselveere, ‘De Witte Leeuw’ op de Markt, ‘Het Witte Hert’ aan het Rodezand en ‘Het Wapen van Oudewater’ in de Havenstraat. De brouwhuizen van deze brouwerijen stonden in de achtertuin. Die zijn nu allemaal verdwenen, maar in Dordrecht staat er nog eentje, die zie je op de foto. Voor het brouwen van bier werd de pap van gerst en spelt gekookt met hop of scharlij. Er was dus vuur in een brouwerij en soms ontstond er daardoor brand.
Stalhouders

Bij de grotere herbergen, vooral herbergen dicht bij de poorten van de stad, waren stallen waar reizigers hun paarden onder konden brengen. De herbergiers of stalhouders hadden zelf ook paarden om te verhuren en ze hadden ook minstens één wagen om voor mensen goederen weg te brengen of op te halen.

De brandspuit
Oudewater had vrijwel zeker in 1683 al een brandspuit. In 1698 staat in de rekeningen van de stad opgeschreven dat de brandspuit gerepareerd moest worden, dus toen was de brandspuit al wat ouder. Die brandspuit moet een Hautsch-brandspuit met houten pijpen zijn geweest. Dat werkte wel iets beter dan blussen met brandemmers, maar met die houten pijpen had de waterstraal geen groot bereik.
De nieuwe brandspuit
In 1672 demonstreerde Jan van der Heyden in Amsterdam zijn eerste brandspuit met leren slangen. Al heel snel bedacht hij weer verbeteringen, waardoor de brandspuit nog beter werkte. Er zijn heel wat brandspuiten van dit type bewaard gebleven en die kun je zien in het Brandweermuseum in Hellevoetsluis. Daar zijn ook de foto’s gemaakt. Een brandspuit met leren slangen was een grote verbetering vergeleken met een brandspuit met houten pijpen. Maar het duurde wel even voordat het stadsbestuur van Oudewater zo’n brandspuit kocht. In 1712 sprak het stadsbestuur over de aankoop van een nieuwe brandspuit met slangen. Het duurde tot 1718, maar toen kocht het stadsbestuur van Oudewater ook meteen twee Jan van der Heyden-spuiten. Die nieuwe brandspuiten stonden geparkeerd in de Sint-Michaëlskerk en daar hingen ook de brandladders.
De stedesloot
Door heel Oudewater loopt nog steeds de stedesloot. In 1683 waren grote delen van de stedesloot nog gewoon open. Het zijn kanaaltjes die uitkomen op de Hollandsche IJssel en die met kleppen afgesloten kunnen worden. Ze zijn nog steeds belangrijk voor de afwatering. Tegenwoordig is de hele stedesloot overkluisd en niet overal staat nog water in. Bij de bouw van de winkel op de hoek van de Rootstraat en het Rodezand werd een overkluisd stuk gevonden en toen werd er gedacht dat het een geheime gang was. Bij de werkzaamheden aan de Lange Burchwal zijn ook stukken overkluisde stedesloot gevonden.
Dirck Munter

Dirck Aertszoon Munter was in 1683 eigenaar van de brouwerij ‘Het Wapen van Oudewater’. Na de brand heeft hij het brouwhuis weer laten opbouwen, maar hij gaf de brouwerij wel een nieuwe naam: ‘De Poort’. Na zijn overlijden verkocht zijn dochter de brouwerij aan de familie Pamburg. In 1786 is het brouwhuis afgebroken.

Brandemmers
In 1683 waren er zeker 256 brandemmers in de stad. Brandgevaarlijke bedrijven, zoals bakkerijen, brouwerijen, smederijen en touwslagerijen moesten meerdere brandemmers in huis hebben. Brandemmers waren van leer, zodat je met de lege emmer kon gooien. Een houten emmer zou in zo’n geval kapot gaan en gooien met een metalen emmer zou gevaarlijk zijn. Plastic was er natuurlijk nog niet. Leren brandemmers kun je ook zien in het Brandweermuseum in Hellevoetsluis. De brand in mei 1683 was aanleiding voor een grote ‘brandschouw’, een controle op de brandblusmiddelen. Nou ja, dat waren dus vooral brandemmers. Alle brandemmers werden verplicht gekeurd en defecten moesten gerepareerd worden.
De Delftse Donderslag

In 1654 ontplofte het kruitmagazijn van Delft. Dat is bekend gebleven als de ‘Delftse Donderslag’. Het was een enorme ramp, een groot deel van de stad vloog de lucht in en er waren veel doden.

Burgemeester De Koninck
Johan de Koninck was geboren op 1 januari 1642. Zijn ouders waren toen al 17 jaar getrouwd en ze hadden in al die tijd geen kinderen gekregen. Ze waren zo blij met Johan, dat ze een schenking deden aan het weeshuis. Elk jaar op de verjaardag van hun zoon kregen de kinderen in het weeshuis van dat geld een feestmaaltijd. Zolang hij leefde, was Johan daarbij. Het portret van de vader van Johan, Cornelis Koninck, kreeg een plekje in de regentenkamer van het weeshuis. Het hangt nu in het Stadsmuseum.


Opdracht

1. Vroeger liepen er kleppermannen als brandwachten door de stad. Welke maatregelen kun je tegenwoordig nemen om brand op tijd te ontdekken en zelfs te voorkomen? 2. In 1683 was er één heel primitieve brandspuit en verder werd er gewerkt met brandemmers. Hoe werkt de brandweer tegenwoordig? Wat zijn de verschillen met 1683 en zijn er ook overeenkomsten?