De inquisitie in Oudewater

De inquisitie in Oudewater

1554

Machteld moet eigenlijk op school zijn. Maar de dag tevoren heeft meester Huijch haar hard met de plak op haar hand geslagen en zo lang haar hand pijn doet, wil ze de meester niet meer zien. Spijbelen is niet zo moeilijk. Meester Huijch heeft zestig kinderen in zijn school zitten en hij kan ze nooit allemaal in de gaten houden. Thuis komt Machteld er ook wel mee weg. Haar moeder is dood, haar vader heeft het te druk met zijn werk om op te letten en de meid heeft het te druk met haar zusje Lysbeth.

Maar Oudewater is niet groot: in de stad zou Machteld worden herkend als ze op straat bleef lopen. De dichtstbijzijnde poort is de IJsselpoort maar in IJsselveere heeft ze niets te zoeken. De Waardpoort is een betere optie. Een half uur voordat de school begint, loopt Machteld over de Visbrug naar de Kapellestraat en langs de Doelen, het Ursulaconvent en de Commanderij naar de Waardpoort.
Bij een poort is het altijd wel druk. Er zijn altijd boeren die de stad inkomen om melk en groenten te verkopen, werklieden die de stad uitgaan voor reparatiewerk aan een boerderij, een enkele vrome boerin die de vroegmis heeft bezocht en teruggaat naar de boerderij. In die drukte glipt Machteld naar buiten.

Buiten de stad is het rustig. Geen lawaai van oliemolens, brouwerijen en karrenwielen over de straatstenen. Machteld loopt over de kade in het midden van de gracht, de hoek bij het autaar om. Vanuit de Waardpoort kun je niet op de singel tegenover de Lange Wal komen, maar dat vindt ze niet erg. Het gras en het riet zijn hoog en je komt hier hoogstens een enkele visser tegen. Langs de singel zijn de blekerijen en daar loopt altijd volk. De zwanen van de drift van de Schutterij hebben hier hun nesten gemaakt, maar de eieren zijn al uitgekomen en de zwanen zwemmen aan de overkant van de gracht.
Machteld trekt haar kousen uit en zit tussen het riet met haar voeten in het water. Binnenkort zullen de boerenkinderen weer weg blijven uit school, om thuis te helpen bij de hooibouw. Als ze al naar school komen. Met dit weer wil Machteld ook wel een boerenkind zijn. Ze heeft een stuk brood in haar schort gestopt. Het water van de buitengracht is schoon genoeg om te drinken.

Als Machteld de eerste kleine schaduw van de zon ziet, staat ze op. Ze loopt voor de Linschoterpoort langs, verder over de kade naar de Biezenpoort. Daar moet ze wel naar de singel, want voorbij de Biezenpoort loopt de kade dood tegen de muur. Ze komt langs het Lazarushuis en langs de scheepswerf, alletwee buiten de stadsmuren. Buiten de Broeckerpoort is het altijd druk. Vaak leggen de schepen uit Gouda, Rotterdam en Delft hier al aan. Er is een schip net aan het afmeren. Op het dek staat een priester en hij heeft soldaten bij zich. Machteld hoort de priester vragen naar het huis van de pastoor. Ze schrikt. De pastoor, dat is heer Jacob.

Machteld kent heer Jacob goed. Hij stuurt nooit een bedelaar weg en hij is nooit te moe om bij zieken op bezoek te gaan. Hij komt bij haar thuis voor haar vader en een zorgvuldig geselecteerd gezelschap uit de bijbel lezen. Machteld weet dat dat een geheim is, net zo geheim als dat hij haar en Lysbeth en Gijsbert en Marrichge Huberts spannende verhalen vertelt die ook uit de bijbel kwamen. Ze heeft gehoord dat mensen die uit de bijbel lezen op de brandstapel gezet worden als de Inquisitie er van hoort. De Inquisitie, dat is een rechtbank van de katholieke kerk. Iemand heeft het geheim verraden.

Machteld glipt door de poort naar binnen. Ze gaat niet direct rennen, want dat zou opvallen, maar ze loopt wel flink door, zo snel mogelijk over het Rodezand. Bij de wagenmaker wordt net een kar naar buiten gereden. ‘Ze komen heer Jacob oppakken’, zegt Machteld tegen de knecht. De school komt net uit. ‘De inquisitie is hier voor heer Jacob’, zegt Machteld tegen Roelof, die bij haar in de bank zit. Er zitten bedelaars op het kerkhof. ‘Ze komen heer Jacob halen’, zegt Machteld tegen de bedelaars. Terwijl Machteld verder rent naar het huis van de pastoor ontstaat op het Rodezand een opstootje. Er wordt geschreeuwd en de wagen wordt omver geduwd. De priester kan er niet door met zijn soldaten.
Heer Jacob komt al naar buiten omdat hij rumoer op straat hoorde. ‘Er is een priester van de Inquisitie’, zegt Machteld, ‘kom, ik weet een plek waar we ons kunnen verstoppen!’ Samen rennen ze over de Remigiusbrug, de steeg langs de muur in. Daar is een poortje naar het achterterrein van het Ursulaconvent. Het is één van Machtelds geheime plekjes. De scharnieren van het poortje zijn goed gesmeerd. Natuurlijk zijn er altijd wel nonnen bezig in het bakhuis of in de boomgaard of bij de schapen, maar die zijn druk aan het werk. En dicht bij het poortje is ook een ingang van de stedesloot en een betere schuilplek is niet te bedenken. Snel doen ze hun schoenen uit en hun kousen uit. Machteld en heer Jacob waden door het water, hij gebogen onder het gewelf, tot ze ver genoeg zijn.

En daar blijven ze, tot het donker wordt. Machteld weet nu eigenlijk niet hoe het verder moet, maar heer Jacob wel. Ze lopen samen verder door de stedesloot, onder de Kapellestraat door en in het Heilig Leven klimmen ze eruit. Het is stil op straat en heer Jacob klopt aan bij het huis op de hoek van de Kapellestraat. Niet zomaar een klop, maar drie keer snel achter elkaar, een pauze, en dan weer een klop. Een geheim signaal!
Ze hoeven niet lang te wachten, de deur gaat snel open. ‘Heer Jacob!’ fluistert de vrouw die open doet, ‘kom snel binnen, ze zoeken nog steeds.’ Het is Roemertje Hendrixdochter, de moeder van Roelof Snellius van Royen die op school bij Machteld in de bank zit. Machteld heeft haar nog nooit gesproken, ze kent haar alleen als de moeder van Roelof, die zo goed kan leren. Eigenlijk was ze een beetje bang voor die statige vrouw in haar dure zwarte jurk. Maar Roemertje is zo blij om hen te zien en zo blij dat heer Jacob veilig is, Machteld voelt zich helemaal thuis. Roemertje neemt hen mee naar de keuken en droogt Machtelds voeten met een linnen doek. Ze geeft hen vers bier en brood en dan brengt ze Machteld thuis, in het donker. Haar vader is nog aan het werk, die heeft haar niet eens gemist.


Auteur: Nettie Stoppelenburg
Tijdvak: Tijd van ontdekkers en hervormers | Hoofdlijn: Wat geeft betekenis?


Weetjes

Wat gebeurde er in 1554 in Oudewater?

Het enige wat we zeker weten, is dat de Inquisitie in 1554 iemand stuurde om een pastoor in Oudewater op te pakken op verdenking van ketterij. Dat mislukte omdat de burgers van Oudewater de Inquisiteur tegenhielden. De Inquisitie was de rechtbank van de katholieke kerk die mensen veroordeelde als zij geen goede katholieken waren. In die tijd mocht je bijvoorbeeld als gewone katholieke gelovige niet de bijbel lezen, dat mochten alleen priesters. Mensen waren het ook niet eens met dingen die in de katholieke kerk gebeurden, zoals de verkoop van ‘aflaten’. Mensen die een aflaat kochten, kochten daarmee vergeving voor dingen die ze verkeerd hadden gedaan. De katholieke kerk gebruikte dat geld voor het onderhoud van de kerkgebouwen.

Machteld
Machteld Cornelisdochter heeft echt bestaan. Over haar jeugd is niet zoveel bekend, zelfs niet wie haar ouders waren. Wat weten we wel? Ze trouwde later met de bierbrouwer Gijsbert Dirckszoon van Praet en zij kregen vier kinderen. Aernt van Duyn schrijft over Machteld in zijn boek over de Oudewaterse Moord, hij noemt haar een dappere vrouw en vertelt dat haar man toen door de Spanjaarden is gedood. Machteld trouwde voor de tweede keer met Roelof Snellius van Royen, die toen professor was aan de Universiteit van Leiden. Hun zoon Willibrord Snellius van Royen werd een beroemd wiskundige. Er is zelfs een computer naar hem genoemd. In de Sint Michaëlskerk is nog een monument voor Roelof Snellius van Royen te zien.
Meester Huijch en de school:

In 1545 wordt meester Huijch genoemd als schoolmeester van Oudewater. Waar in deze tijd het schoolgebouw was, is niet bekend. In dit verhaal is de school in de omgeving van de Sint Michaëlskerk, net als het huis van heer Jacob. In deze tijd zaten alle kinderen in de school bij elkaar en ze moesten om de beurt bij de meester komen om op te zeggen wat ze geleerd hadden. Als ze fouten maakten, kon de meester hen slaan met een houten ‘plak’.

Zwanen:
Knobbelzwanen werden in de middeleeuwen in de Nederlanden gefokt, voor het vlees, voor het dons en omdat ze zo sierlijk zijn. Ze werden in groepen, ‘zwanendriften’, gehouden in vijvers en kasteelgrachten. Wie zwanen wilde houden, moest het ‘zwanenrecht’ bezitten. Door de zwanen te ‘leeuwieken’, een stuk van de vleugels af te knippen, zorgde de eigenaar dat de vogels niet weg konden vliegen. De schutterij van Oudewater bezat het zwanenrecht. In de twintigste eeuw waren er in deze omgeving nog meerdere ‘zwanendrifters’, mensen die zwanen hielden. De zwanen zwommen dan in een bepaalde omgeving rond en als ze op de grond van een boer een nest maakten, kon de boer een vergoeding krijgen.
Waar loopt Machteld allemaal langs?
De Linschoterpoort, de Biezenpoort en de Broeckerpoort kun je terugvinden op de kaart van Jacob van Deventer. Buiten de Biezenpoort en de Broeckerpoort zijn op die kaart gebouwen ingetekend. Eén daarvan moet het ‘Lazarushuis’ zijn geweest. Daar werden mensen verpleegd die lepra hadden of ‘melaatsheid’. In de bijbel staat een verhaal over iemand die lepra heeft en die in de hemel komt. Zijn naam was Lazarus en daarom werden veel van dit soort huizen ‘Lazarushuis’ genoemd. Oudewater had in de tijd van Machteld ook al een scheepswerf en die moet bij de Broeckerpoort zijn geweest.
Heer Jacob:
In deze tijd was iedereen in Oudewater officiëel nog katholiek. Er waren meerdere priesters in de Sint Michaëlskerk en er waren ook meerdere altaren waar zij de mis opdroegen. Eén van die priesters was Jacob Jacobszoon. In de belastinglijst van 1543 wordt hij genoemd als pastoor. In een lijst van leden van een broederschap die in 1550 is gemaakt, staat dat hij verbonden was aan het altaar van Sint Job. Hij wordt ook genoemd in de belastinglijst van 1553, maar niet in de lijsten van 1557 en 1561. Misschien was hij dus wel een paar jaar weg uit Oudewater, maar hij kwam terug. In 1594 stierf hij in Oudewater en in het grafboek staat hij genoemd als ‘Jacob Jacobsz pastoor’. Als iemand pastoor was, noemde je hem ‘heer’ en vandaar ‘heer Jacob’. De priesters in de Sint Michaëlskerk droegen mooie gewaden als zij de mis opdroegen. Eén van die gewaden, een ‘kazuifel’, is bewaard gebleven. Hij dateert uit de eerste helft van de zestiende eeuw en toen is prachtig geborduurd in Amsterdam. Waarschijnlijk heeft heer Jacob deze kazuifel wel eens gedragen. Hij wordt nu bewaard in Museum Catharijneconvent in Utrecht.
Grafsteen
In de Sint Michaëlskerk is nog steeds de grafsteen te zien van het priestergraf in de kerk.
Het Ursulaconvent
Het Ursulaconvent was één van de kloosters in Oudewater in de middeleeuwen. Het was gesticht in 1414. Het kloosterterrein strekte zich uit tussen de Kapellestraat en de Nieuwstraat. Tegenwoordig is er nog een stukje van de kapel van het klooster over, dat zie je op de foto.
Het huis waar Roemertje Hendrixdochter en Roelof Snellius van Royen wonen:

Volgens de overlevering zou Roelof geboren zijn op de plaats waar nu Leeuweringerstraat 37 staat. Maar in de belastinglijst van 1553 staat zijn vader, Willeboort Jacobsz, genoemd als wonend in de Kapellestraat. In 1561 was Willeboort overleden en woonde zijn weduwe, Roemertje Hendrixdochter daar. Roelof trouwde later met Machteld en nadat hij was gestorven, kwam Machteld terug naar Oudewater en toen woonde zij in dat huis. Het huis stond op de hoek van het Heilig Leven en de Kapellestraat. Het is meer dan 200 jaar geleden afgebroken en nu is daar de tuin van de pastorie van de Rooms-katholieke kerk.

Willeboort Jacobsz van Royen en Roemertje Hendrixdochter:
Willeboort stamde uit een belangrijke familie. Zijn broer Jan was kanunnik van de Sint Pieterskerk in Utrecht, een priester dus, maar dan ook wel eentje met veel geld en invloed. Zijn zus Catharina trouwde met Amel Hendrickszoon van Rijswijck. Amel was ‘schepen’, lid van het stadsbestuur, van Oudewater. Hun zoon Dirck werd pastoor in Oudewater en is ook bekend onder de naam ‘Theodorus Aemilius’. Hij vertrok in 1566 uit Oudewater omdat hij protestant was geworden. Hun dochter Aeltje trouwde met Willem Huygenszoon van Zwieten en hun kinderen zaten later in het stadsbestuur van Oudewater. Hun dochter Leytgen trouwde met Jan Jacobszoon van Rosendael en hij zat in het stadsbestuur van Gouda. Van Leytgen en haar man zijn portretten bewaard, die hangen in Museum Gouda