Marius van’t Kruys

Marius (Marinus Hendrik) van ’t Kruys (8 maart 1861 te Oudewater – 14 februari 1919 te Lausanne), was de zoon van organist, beiaardier, koordirigent en muziekleraar Jan van ’t Kruys en van Elizabeth van Beusekom. Als jongen van 5 gaf hij al pianoconcertjes in Oudewater. Toen hij 13 jaar oud was, werd hij aangesteld als organist in Ritthem bij Vlissingen.

Vanaf 1877 studeerde Van ‘t Kruys aan de Koninklijke Muziekschool in ’s-Gravenhage. Zijn docenten waren Willem Nicolai (orgel, muziektheorie en compositieleer), Georg Friedrich Wagener (piano) en Carel Wirtz (piano). Hij volgde ook vioollessen bij Hoffman en Mulder. In deze periode schreef hij al zijn eerste composities. In 1881 behaalde hij zijn diploma en in datzelfde jaar kreeg hij een aanstelling als organist in Winterswijk. In 1884 werd hij organist van de Grote of St. Laurenskerk in Rotterdam. Van 1897 tot 1905 was hij dirigent van de Groninger Orkest Vereeniging.

Na zijn vertrek uit Groningen vestigde Van ’t Kruys zich in ’s-Gravenhage waar hij zich vooral bezighield met componeren maar ook met gastdirigentschappen. Tot zijn werken behoren de ‘Ruytercantate’, de ‘Koningin Emmacantate’, de cantate ‘Oranje en Nederland’, geschreven speciaal voor de geboorte van prinses Juliana, het ballet ‘Psyché’ en de opera’s ‘De Bloem van IJsland’ en ‘De Watergeuzen’.